Menu

Uw zoekacties: Vereeniging van Reeders van Visschersvaartuigen (Redersveren...
x2417 Vereeniging van Reeders van Visschersvaartuigen (Redersvereniging) te IJmuiden
Uitleg bij archieftoegang

Een archieftoegang geeft uitgebreide informatie over een bepaald archief.

Een archieftoegang bestaat over het algemeen uit de navolgende onderdelen:

• Kenmerken van het archief
• Inleiding op het archief
• Inventaris of plaatsingslijst
• Eventueel bijlagen

De kenmerken van het archief zijn o.m. de omvang, vindplaats, beschikbaarheid, openbaarheid en andere.

De inleiding op het archief bevat interessante informatie over de geschiedenis van het archief, achtergronden van de archiefvormer en kan ook aanwijzingen voor het gebruik bevatten.

De inventaris of plaatsingslijst is een hiërarchisch opgebouwd overzicht van beschreven archiefstukken. De beschrijvingen zijn formeel en globaal. Het lezen en begrijpen van een inventaris behoeft enige oefening en ervaring.

Bij het zoeken in de inventaris wordt de hiërarchie gevolgd. De rubrieken in de inventaris maken deel uit van de beschrijving op een lager niveau. Komt de zoekterm in een hoger niveau voor, dan voldoen onderliggende niveaus ook aan de zoekvraag.

2417 Vereeniging van Reeders van Visschersvaartuigen (Redersvereniging) te IJmuiden
Zoek in deze inventaris
>
Zoektermen
 
 
Inleiding
De Vereeniging van Reeders van Visschersvaartuigen - hierna te vermelden als de Redersvereniging - werd opgericht op 19 november 1908 en stelde zich ten doel: "de belangen van het Visserijbedrijf in de ruimste zin met alle haar ten dienste staande legale middelen te behartigen". In latere omschrijvingen werd ook gewag gemaakt van het bevorderen van de verkoop van vis en het aangaan van collectieve arbeidsovereenkomsten en "het bevorderen, in de mate als de goede trouw medebrengt, dat de leden de te hunnen aanzien bij aangegane collectieve arbeidsovereenkomsten gestelde bepalingen nakomen".
Hoewel het lidmaatschap van de vereniging ook open stond voor reders van haring- of beugvisserij *  schepen, lag in IJmuiden toch de nadruk op de beoefenaars van de trawlvisserij. De haring welke door IJmuidense schepen werd aangevoerd, was meestal verse haring, welke met het sleepnet (trawl) was gevangen, al er waren ook loggers welke met de vleet visten. De reders welke de haringvangst beoefenden door middel van de drijfnetvisserij (vleetvisserij) waren meestal georganiseerd in de Reedersvereeniging voor de Nederlandsche Haringvisscherij, welke kantoor hield in Scheveningen of Vlaardingen. Daarnaast waren er nog andere verbanden als bijvoorbeeld de Vereniging van Schippereigenaren in Katwijk aan Zee.
De oprichting werd in de hand gewerkt door de opkomst van IJmuiden als vissersplaats, waarbij de onderlinge saamhorigheid van hen die in het visserijbedrijf werkzaam waren, soms ver te zoeken was. Zo waren de inzichten over de wenselijkheid van een particuliere dan wel een rijksvisafslag zeer verschillend. Andere problemen waren de moeilijkheden met de kolenvoorziening en de opkomst van de vakbonden, welke de verhoudingen tussen werknemers en werkgevers meer dan eens op scherp zetten. Waren de bemanningen van de zeilvissersschepen aan het eind van de negentiende eeuw over het algemeen zeer gezagsgetrouw, wat de schipper en de reder zeiden was wet, bij het stoomtrawlerbedrijf in IJmuiden lagen de verhoudingen anders. Stoomtrawlers visten ook op zondag en daarvan was niet iedereen gediend, zodat mede doordat er een snelle uitbreiding van deze vloot plaats vond, er al snel een tekort aan arbeidskrachten - vooral matrozen en stokers - ontstond. Deze werden gevonden onder koopvaardijpersoneel, dat meestal georganiseerd was in de Algemene Bond van Zeelieden.
Afspraken tussen deze bond met individuele reders over arbeidsvoorwaarden gaf wrijving onderling. Na langdurige onderhandelingen konden ten slotte de gelederen van de reders worden gesloten door de oprichting van de Redersvereniging, die zich intensief met het overleg ging bezig houden en ook op andere terreinen, zoals de sociale wetgeving en de handhaving daarvan, actief werd. Ook bij de collectieve arbeidsovereenkomsten van niet-zeevarenden, maar wel met het visserijbedrijf verbonden bedrijven, werd onderhandeld. Het betrof hier onder anderen de vislossers, kolenwerkers en het personeel van ijsfabrieken. In 1910 werd een soort arbeidsbureau in het leven geroepen, om werkloos geworden vissers aan een loopbaan in het visserijbedrijf te helpen. De secretaris van de Redersvereniging was directeur van deze organisatie. De Permanente Arbitragecommissie, samengesteld uit vertegenwoordigers van de vakbeweging en de reders - met een onafhankelijke voorzitter - hield ook kantoor op het adres van de Redersvereniging en bemiddelde bij geschillen op arbeidsgebied tussen de reders en de opvarenden, de laatsten meestal vertegenwoordigd door hun vakorganisatie. De visserijsector zou later een zeer stakingsgevoelige bedrijfstak blijken te zijn, die veel van het bestuur van de Redersvereniging - en van de vakbeweging - vergde.
Andere initiatieven van de Redersvereniging waren onder andere, het na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog oprichten van de Onderlinge *  Oorlogsrisico Maatschappij, waardoor de door het oorlogsgevaar opgelegde schepen weer in de vaart gebracht konden worden. Daarnaast volgde - in het belang van de opvarenden - eveneens een onderlinge verzekeringsmaatschappij, welke heeft gefunctioneerd tot de totstandkoming van de Oorlogszeeongevallenwet, met als gevolg dat het mogelijk werd aan de nabestaanden van door het oorlogsgeweld omgekomen vissers een uitkering te doen. Toen de Engelse regering een deel van de vissersvloot in beslag nam, kon mede dankzij de Redersvereniging na moeizame onderhandelingen een regeling worden getroffen, waarvan de laatste (financiële) onderdelen pas in de jaren dertig konden worden afgewikkeld. De vereniging was tijdens deze oorlog ook belast met de distributie van levensmiddelen, steenkolen en petroleum voor de vloot. Na overleg met zowel de Duitse als de Engelse regering werd de mogelijkheid van de afzet van vis naar deze landen gewaarborgd. Na afloop van de oorlog, toen brandstoffen nog waren gerantsoeneerd, slaagde men erin een regeling te treffen met de Belgische regering, waardoor vis werd geleverd en Belgische steenkoolbriketten in ruil werden verkregen.
Bij de totstandkoming van diverse sociale wetten, zoals de Zeevissersongevallenwet, de Arbeidswet en de Schipperswet was de Redersvereniging betrokken. Voor de uitvoering werd door haar en de vakbeweging het Centraal Administratie Bureau (CAB) opgericht, dat ook kantoor hield op het adres van de Redersvereniging. Ook de Commissie tot bevordering van het Visverbruik, was samen met de Vereniging van Vishandelaren, één van haar initiatieven.
In 1922 was er sprake van een te grote aanvoer door Duitse trawlers, (soms 20 per dag) waardoor de Nederlandse schepen niet op tijd konden worden gelost en de prijzen kelderden. De oorzaak was het feit, dat door de wankele Duitse economie met haar grote geldontwaarding de Duitse schepen voor hun lading vis een veelvoud konden krijgen van het bedrag dat zij in Duitsland zouden ontvangen. Enkele Duitse vishandelaren richtten eigen kantoren in IJmuiden op, onder andere Goldbohm, Bückmann & Pool en Püst. De vereniging moest ook bezuinigen: men stelde voor geen sigaren meer uit te delen tijdens vergaderingen en ook nam men zich voor de dagelijkse boterham van huis mee te nemen. Er was ook sprake van het ontslag van personeel van de Redersvereniging en loonsverlaging van opvarenden en vislossers.
Een proef met radiotelefonie aan boord van drie trawlers leverde aanvankelijk weinig op. Nog lang niet alle trawlers hadden de mogelijkheid om aan boord zelf elektriciteit op te wekken. In een aanbod van een vliegmaatschappij om een watervliegtuig ter beschikking te stellen ten dienste van de visserij zag men weinig. Twee jaar later, in 1924, waren er nog slechts drie rederijen, die zich vanuit IJmuiden met de haring-vleetvisserij bezig hielden. Weer een jaar later bestond de Rijksvisafslag 25 jaar. Men besloot er maar geen aandacht aan te besteden, de zorgen om een inmiddels uitgebroken staking eiste alle aandacht op. Alom heerste beduchtheid voor de vorming van communistische cellen aan boord van schepen. Ook onderling verschilden de vakbonden nogal eens van mening. De bij de Redersvereniging aangesloten rederijen beschikten over zo'n 195 schepen. De zustervereniging Vereniging van Kleine Reders verklaarde zich bereid te fuseren met de Redersvereniging. Hierin hadden zich een aantal reders verenigd, die over slechts één of enkele schepen beschikten. In 1929 verscheen het verslag van een in 1927 door de Ministers van Waterstaat en van Financiën ingesteld onderzoek naar het Staatsvissershavenbedrijf. De vraag was toen of het in het belang van het rijk zou zijn om het vissershavenbedrijf in particuliere handen te doen overgaan. Dat bleek nog niet het geval. Van de zijde van deze particulieren bestonden nogal wat bezwaren tegen het opleggen van steeds stijgende lasten om de jaarlijkse tekorten van het Staatsvissershavenbedrijf te dekken. Los van dit alles bleek er nog steeds veel vis gestolen te worden uit de vishal. Dit was kennelijk een onuitroeibaar vergrijp, dat regelmatig in de annalen genoemd werd. De Marechaussee beloofde opnieuw scherp op te letten.
De jaren dertig met de daaraan verbonden crisis hadden veel invloed op de visserij in IJmuiden. De slechte bedrijfsresultaten noopten de leden van vereniging tot grotere activiteiten op het gebied van vernieuwing van de vloot, verbetering van de vangstmethoden en de afzetmogelijkheden. Pogingen van de Redersvereniging om regeringssteun voor het visserijbedrijf te verkrijgen, werden echter veelal afgewezen. In 1931 waren er al 100 schepen uit de vaart genomen. Al enkele tientallen jaren werd getracht de aan land gebrachte vis door middel van het gebruik van een veilingklok te verhandelen. Aanvankelijk verliepen de proefnemingen teleurstellend, maar vanaf 1931 verbeterde dit. De Redersvereniging was altijd bevreesd geweest, dat het de opbrengst zou verlagen en verschilde daarin van meet af aan met de IJmuider Vishandelvereniging. De onderlinge verstandhouding was soms gespannen. Werd in de ene vereniging gestreefd naar een zo groot mogelijke opbrengst, dit betekende tegelijkertijd dat hierdoor de winstmarges van de vishandelaren onder druk gezet werden. Eind 1932 eiste de Vakbond IJmuider Federatie, dat de per 1 januari 1933 voorziene loonsverlaging werd teruggedraaid. De Christelijke Bond had wel getekend. Toen ook de vislossers het werk neerlegden, werd besloten dat het personeel van de rederijen zelf de schepen moesten gaan lossen, die toen nog op zee waren. Het bestuur zou zorgen voor koffie en koek tijdens de loswerkzaamheden. In juli 1933 accepteerde de Centrale Bond van Transportarbeiders de al eerder door de Christelijke Bond geaccepteerde voorwaarden. Ondertekening volgde echter eerst in oktober.
De omstreden secretaris van de IJmuider Federatie was inmiddels geruisloos vertrokken. Hiermede was de staking voorbij. Intussen hadden België en Frankrijk hun visinvoer uit Nederland aan contigenteringsmaatregelen onderworpen. De Britse regering verhoogde de invoerrechten. De burgemeester van Velsen overlegde vertrouwelijk met de minister, verantwoordelijk voor de visserij: de ingediende plannen werden òf afgewezen òf 'ze dienden nader bestudeerd te worden', met hetzelfde resultaat: nihil. Na het opheffen van de staking werd de regering verzocht de regels voor de contingentering te versoepelen. De contacten verliepen echter zeer traag. Buitenlandse vis, was volgens de minister, "zeer welkom". In 1934 waren er nog 85 van de 195 schepen in de vaart.
Eerst in 1937 was er sprake van een voorzichtige opleving. De vangsten waren gestegen, er werden pogingen gedaan om de vis te gaan invriezen en andere conserveringsmogelijkheden als in blik en in glas werden uitgebreid. Het volgende jaar zag het vertrek van 15 schepen, die vielen onder een sloopregeling en de komst van 5 andere, grotere trawlers, waardoor de vangstcapaciteit hetzelfde bleef. De laatste vooroorlogse jaren waren al weer minder, niet in het minst door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939, waardoor wegens de onzekere toestand de hele vloot binnen bleef.
Eerst in 1937 was er sprake van een voorzichtige opleving. De vangsten waren gestegen, er werden pogingen gedaan om de vis te gaan invriezen en andere conserveringsmogelijkheden zoals in blik en in glas werden uitgebreid. Het volgende jaar zag het vertrek van 15 schepen, die vielen onder een sloopregeling en de komst van 5 andere, grotere trawlers, waardoor de vangstcapaciteit hetzelfde bleef. De laatste vooroorlogse jaren waren al weer minder, niet in het minst door het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in september 1939, waardoor wegens de onzekere toestand de hele vloot binnen bleef.
Toch slaagde men er in om gedurende dit decennium enkele nieuwere schepen in de vaart te laten brengen, waaronder de eerste motortrawlers. Motorloggers waren er al eerder. Zeilloggers kende men in IJmuiden al lang niet meer; in 1929 verdween de laatste uit de vlootlijst. Vaak werden ze nog van een motor voorzien.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog waren de activiteiten van de vereniging beperkt. In IJmuiden stonden nog enkele tientallen schepen ingeschreven, waarvan er enkele de dagvisserij op de Noordzee mochten uitoefenen. Naast een drietal trawlers en een paar loggers en kotters waren de overige schepen van kleiner formaat. Na 1941 werd er echter wegens het oorlogsgevaar nog steeds minder gevaren. Brandstofschaarste heerste ook hier. Vanaf februari 1944 mocht alleen nog vanuit Delfzijl worden gevist en niet meer vanuit IJmuiden. Hieraan werd door 15 schepen, waaronder vier uit IJmuiden, deelgenomen. Van enkele honderden visserijschepen was na de bevrijding de verblijfplaats onbekend. Dankzij het werk van het Bureau Teruggave Visserijvaartuigen onder leiding van de heer A. van der Veer kon een groot deel van de schepen die in Duitse dienst gevaren hadden, worden teruggehaald en aan de oorspronkelijke eigenaren teruggegeven. Anderzijds konden van de schepen welke gedurende de meidagen van 1940 op zee waren, de meeste uitwijken naar een Engelse haven, waar sommige van hen vanuit een haven aan de Engelse westkust aan de visserij konden blijven deelnemen. Van de schepen welke in dienst van de Engelse of Nederlandse Marine, bijvoorbeeld als mijnenveger dienst deden, keerde op 2 juli 1945 als eerste de IJM 183 'Vikingbank' in IJmuiden terug, spoedig gevolgd door andere schepen. Door de grote vraag naar vis voor de voedselvoorziening en doordat er een grote visrijkdom aanwezig bleek te zijn in de Noordzee - er was gedurende enkele jaren nauwelijks gevist - beleefde de IJmuider vissersvloot enkele topjaren.
Aan het begin van de jaren vijftig trad er een teruggang in: vele kleinere schepen waren hopeloos verouderd en door de gestegen kosten van brandstoffen en lonen onrendabel geworden. Doordat de nieuwere schepen een grotere capaciteit hadden, daalde het aantal schepen, dat door de leden van de Redersvereniging in de vaart gehouden werd, gestaag. Door het beschikbaar komen van andere voedingsmiddelen dan vis, daalden de opbrengsten aanzienlijk. Sommige reders investeerden nauwelijks meer. Doordat er meer - en aantrekkelijker - werk aan wal beschikbaar kwam, ontstond er tevens een gebrek aan personeel. In 1960 verscheen een rapport over het op grote schaal verdwijnen van vis buiten de normale kanalen, dat echter niet alleen in IJmuiden geregistreerde vaartuigen betrof. De gestage daling van het aantal schepen ging door; in 1973 bestond de vereniging nog uit zeven rederijen. Men besloot toen om de afgelopen tien jaar betaalde contributie aan de toenmalige leden te restitueren. Het gebouw van de vereniging werd verkocht en de opbrengst fl. 60.000 eveneens verdeeld. In 1982 waren er nog vier leden, die elk in een groot aantal organisaties, welke zich landelijk of regionaal met de visserij bezig hielden, de IJmuidense belangen moesten behartigen. Aan te nemen valt, dat omstreeks deze tijd de vereniging heeft opgehouden te bestaan; officiële bevestiging ervan viel evenwel niet te verkrijgen.
Inventaris
1. Stukken van algemene aard
2. Stukken van bijzondere aard
Kenmerken
Datering:
1908-1982
Periode documenten:
(1886) 1908-1982
Omvang:
4,90
Openbaarheid:
gedeeltelijk openbaar
Opheffing openbaarheidsbeperking:
toestemming gemeentearchivaris
Vestiging voor raadplegen:
Haarlem, Jansstraat
Gebruiksinformatie:
Inventaris in band 714.2 inv. nrs. 1-455. Inv. nr. 179 is openbaar vanaf 2031.
Gemeente:
Velsen
Categorie:
 
 
 
MAIS-(M)DWS is een product van DE REE archiefsystemen BV
meer informatie over MAIS-(M)DWS