Onze Conservator Oude Boekerij & Bijzondere Collecties Hannah Goedbloed schreef voor stadsglossy HRLM nr. 98 over dit 'Pareltje' uit het archief: een manuscript uit 1628, geschreven door Maria van Wieringe, een Haarlems klopje.
In de collectie van de voormalige Stadsbibliotheek van Haarlem vinden we rijen oude boeken waarvan we vaak niet weten wie de vroegere bezitters waren. Maar dat geldt niet voor een manuscript uit 1628 met de titel: Beschryvinghe des ghebedts. Helemaal voorin het boek staat aangegeven door wie het is geschreven en wie het als eerste in bezit heeft gehad. Zulke gegevens in een boek zijn interessant, ze geven ons een inkijkje in een stukje geschiedenis over het boek zelf.
Maria van Zijl
Het betreffende boek is een prekenbundel voor meditatie, uitgesproken door pastoor Jodocus Cats in Haarlem. De aanhef van het boek begint met: ‘Dit boeck hoort Maria van Zijl geboore […] op den 16 maart 1660’. En iets verderop lezen we: ‘Dit boeck is met de eijgen hant geschreve door juffrouw Maria van Wieringe […]. We weten dus dat het boek ooit toebehoort heeft aan ene Maria van Zijl en dat het boek geschreven is door ene Maria van Wieringen.
Over Maria van Zijl weten we nog wat meer vanuit de aanhef. Haar vader heette Simon van Zijl en haar moeder Margaretha van Veen. Maria was gedoopt door de eerwaarde pastoor Cornelis Cats, neef van de eerder genoemde Jodocus Cats. Hij vervulde dit ambt eerst in het Begijnhof, maar werd in 1662 beroepen ‘inden Hoeck’, een buurt in Haarlem aan de Bakenessergracht. Daar stond de schuilkerk Sint Bernardus, ontstaan vanuit de katholieke kloppengemeenschap in 1583. Deze schuilkerk was tot in 1851 het middelpunt van deze gemeenschap. Rond 1579 was Haarlem een protestantse stad geworden, waarin katholieken hun geloof niet meer vrijuit konden belijden, maar in stilte, achter gesloten deuren, in een verscholen kerk dus.
Haarlemse klopjes
Zo’n kloppengemeenschap bestond uit ongehuwde lekenzusters, ook wel geestelijke maagden genoemd. Deze gemeenschappen ontstonden nadat er in 1581 een algeheel verbod kwam op de kloosterorden in de noordelijke Nederlanden. De klopjes legden dus geen kloostergeloften af van armoede, zuiverheid en gehoorzaamheid, maar alleen geloften aan hun biechtvader. Ze leefden biddend en mediterend in sobere omstandigheden. De kloppengemeenschap in Haarlem was in de 17e-eeuw een van de grootste in de Noordelijke Nederlanden. Ze worden ook aangeduid als de maagden van den Hoek naar het buurtje rond de schuilkerk waar ze samenkwamen en waar de meeste klopjes naderhand ook kwamen te wonen.
Waar het woord klopje vandaan komt is niet duidelijk. Er zijn verschillende verklaringen mogelijk. Het kan een letterlijke betekenis hebben gehad van een lekenzuster die een klopsignaal gaf om de gemeenschap te wekken in de ochtend. Het kan ook een figuurlijke betekenis zijn geweest, als het kloppen op de deur van het hart door Jezus Christus.
Maria van Wieringen
De schrijfster van de prekenbundel, Maria van Wieringen, was zo’n Haarlems klopje. Uit de aanhef is op te maken dat haar biechtvader de eerwaarde Jodocus Cats was. Dat is ook degene waarvan ze de preken heeft gedicteerd. Verder wordt vermeld dat ze getuige was van het vormsel dat Maria van Zijl had gekregen van de eerwaarde Johannes van Neercassel in 1672 in de Sint Annakerk, destijds ook gelegen aan de Bakenessergracht.
De Haarlemse klopjes moesten in hun eigen levensonderhoud voorzien. Waar andere klopjes vaak huishoudster werden of kazuifels borduurden, hield Maria van Wieringen zich in ieder geval bezig met het uitschrijven van preken. In het Museum Catharijneconvent te Utrecht vinden we meer door haar geschreven prekenbundels terug.
Opmerkelijk aan het boek zelf zijn niet zozeer de devotieprenten die ingeplakt zijn bij elk hoofdstuk. Dat gebruik zien we ook terug in andere kloppenboeken. Wat vooral opvalt is de versiering van de tekst. De hoofdstukken zijn in meerdere kleuren opgemaakt. Naast rood, zwart en groen is er ook met goud gewerkt. Er is veel zorg besteed aan het uiterlijk van het boek. Dat lijkt wat tegenstrijdig met de sobere levensstijl die de klopjes erop nahielden. Maar zo’n prachtig verzorgt boek getuigt wel van een hele goede band tussen de beide Maria’s.
In Haarlem leek er niks meer te zijn wat ons herinnerde aan de kloppengemeenschap dan alleen een straatnaam: de Klopperssingel. Andere voorwerpen zijn lang geleden overgedragen aan het Catharijneconvent in Utrecht en de schuilkerk Sint Bernardus werd al in 1853 afgebroken. Maar nu blijkt er toch een object binnen Haarlem te zijn dat een tastbare herinnering weergeeft over de geschiedenis van de Haarlemse klopjes.