Menu

Vanuit zijn huiskamer kijkt hij uit op de landerijen en velden van De Glip, het oude buurtschap in het zuiden van Heemstede. Lieuwe Zoodsma, geboren en getogen in Friesland, vertelt enthousiast over het ooievaarsnest op een hoge paal in de verte, het wandelpad langs de vaart achter zijn huis, de buurtbewoners met hun eigenaardigheden.

Het tekent de afscheidnemende directeur van het NHA. Een man met belangstelling voor de grote én kleine geschiedenis. Voor de werking van politiek-bestuurlijke processen én persoonlijke verhoudingen. Een liefhebber van de stad en haar cultuur, maar tegelijk een zelfverklaard Geert Mak-adept naar aanleiding van diens boek Hoe God verdween uit Jorwerd.

In de 27 jaar van zijn directeurschap heeft hij het NHA behendig door tal van veranderingen gelaveerd. Correctie: toen hij op 1 januari 1995 in dienst trad als stadsarchivaris, bestond het NHA nog niet eens. Om een paar ijkpunten van zijn directoraat te noemen: de vorming van de Archiefdienst voor Kennemerland en de evolutie tot Noord-Hollands Archief. De overdracht van grote, bijzondere collecties, zoals die van Fotopersbureau De Boer en de firma Enschedé. De professionalisering van de organisatie, de digitalisering. De verbouwingen van de Janskerk en het archiefcomplex aan de Kleine Houtweg.


Beeld: Lieuwe Zoodsma in de Janskerk, foto: Anne Reitsma

Bouwheer

Voor zijn komst naar Haarlem was hij plaatsvervangend rijksarchivaris van het Rijksarchief in Zeeland in Middelburg. Had hij ooit verwacht in Haarlem een groot deel van zijn tijd ‘bouwheer’ te zijn?

‘Nee,’ antwoordt hij lachend. ‘Eigenlijk niet.’ Maar dat had dan ook een lange aanloop, die begon met de door de provincie Noord-Holland aangestuurde vorming van regionale archieven. Haarlem moest uitgroeien tot het centrale archief voor de regio Zuid- en Midden-Kennemerland, maar dit ging niet zonder slag of stoot. ‘Hoe verder de gemeente van Haarlem lag, hoe gemakkelijker het ging,’ weet hij nog. ‘Hoe dichterbij, hoe moeilijker.’

‘Ik kan me nog goed herinneren,’ vertelt hij, ‘dat ik in het raadhuis van Heemstede op bezoek ging bij burgemeester Van den Broek-Laman Trip. Ze rookte zo’n dun sigaartje. “U denkt toch niet, meneer Zoodsma, dat Heemstede haar archieven naar Haarlem gaat overbrengen?’ Haarlem sprak ze met ‘ae’ uit, om het zomaar te zeggen. Ik heb de blaren op mijn tong moeten praten om de gemeentebesturen van Heemstede en Bloemendaal te overtuigen dat het echt ook in hun voordeel was als ze gingen samenwerken in één centrale archiefinstelling met alle bijbehorende faciliteiten.’

Uiteindelijk lukte het hem om de regiogemeenten voor zich te winnen. ‘Het ging erom dat je elkaar leerde kennen. Door bij hen op bezoek te gaan, zagen ze mij niet als een bedreiging. Samenwerking zou ons allemaal beter maken. Bennebroek kwam als eerste over de brug, toen Zandvoort, toen Haarlemmerliede en Spaarnwoude.’

Heemstede en Bloemendaal volgden later. Beslissend was het verbond dat Haarlem met Velsen sloot. ‘Die gemeente besloot onder meer te bezuinigen op cultuur en ook het eigen gemeentearchief op te doeken. Op de zolder van Beeckestijn, dat ook werd afgestoten, spraken we met vertegenwoordigers van de gemeente. Men was bereid om het archief in Haarlem onder te brengen, op één voorwaarde: ‘Haarlem’ mocht in de naam van de nieuwe instelling niet voorkomen. Dat gaf in Haarlem consternatie, maar uiteindelijk werd dit de Archiefdienst voor Kennemerland (AvK). En voor Heemstede en Bloemendaal was dit het laatste zetje dat ze nodig hadden om ook overstag te gaan.’ Toen de AvK eenmaal een feit was, waren ook Beverwijk, Heemskerk en Uitgeest binnen twee jaar aan boord.

Erfgoedpolitiek

De naam ‘Noord-Hollands Archief’ suggereert dat dit heel Noord-Holland omvat, wat bij buitenstaanders nog weleens tot verwarring leidt. Zoodsma legt uit dat het Rijksarchief in Noord-Holland vanouds in provinciehoofdstad Haarlem gevestigd was. ‘Na de fusie per 1 februari 2006 met de AvK moest uit de naam van de nieuwe instelling de provinciale inbedding blijken. Dat was goed uit te leggen aan de aangesloten gemeenten.’ Inmiddels berusten ook de archieven van Aalsmeer, Haarlemmermeer en Uithoorn bij het NHA, en dankzij de fusie met het Rijksarchief in Noord-Holland ook alle archieven van rijks- en provinciale instellingen in Noord-Holland.

Gedurende de vaak taaie besprekingen met gemeentebesturen kwam hij direct in aanraking met de plaatselijke erfgoedpolitiek. Hij moest dan al zijn vaardigheden als verbinder inzetten om gemeenten aan boord te krijgen. ‘Dat vond ik mateloos interessant. Hoe colleges van B en W opereren, hoe gemeenteraden de besteding van budgetten verantwoorden. Er was nooit geld voor erfgoed, maar zodra er sprake van was dat een lokaal archief zou verhuizen naar Haarlem, was het ineens ‘ons erfgoed’. Dan was het wel handig als ik, als archivaris, op de publieke tribune zat. Zo leerde ik de politiek-bestuurlijke verhoudingen kennen en leerde de politiek ook mij kennen.’

‘Het is zó belangrijk om goed te netwerken,’ benadrukt hij. ‘Op politiek-bestuurlijk terrein, regionaal, provinciaal. Van de burgemeesters tot de commissarissen van de koning aan toe. Daarnaast zijn er de contacten in het Haarlemse veld van cultuurinstellingen. Het NHA is geen gemeentelijke instelling, we zijn als openbaar lichaam zelfstandig. Dat gaf ons de kans om ons te profileren als een culturele instelling en mee te doen in de erfgoedcoalitie in Haarlem, waar ook bijvoorbeeld het Frans Halsmuseum, Het Dolhuys en de Bibliotheek Zuid-Kennemerland in zitten. In 2016 kreeg bijvoorbeeld iedereen met bezuinigingen te maken. We zijn er toen met elkaar in geslaagd de pijn te verdelen en allemaal ons steentje bij te dragen. Dat zorgde voor een grote solidariteit. En de gemeente zag dat we geen losse, opzichzelfstaande instellingen zijn, maar één partij vormen, met één blik.’

Nacht van Haverkort

Zijn periode als ‘bouwheer’ begon met ‘de Nacht van Haverkort’ in november 1997, toen het stadsbestuur besloot om op initiatief van cultuurwethouder Jan Haverkort de opbrengst uit de verkoop van het gemeentelijk kabelbedrijf – 120 miljoen gulden – beschikbaar te stellen voor de vernieuwing van de cultuurinstellingen. Zoodsma begint te glimmen wanneer hij terugdenkt aan de raadsvergadering waarin het archief 6,6 miljoen gulden kreeg toebedeeld voor een verbouwing van de Janskerk en de bouw van een nieuw depot.

Smakelijk: ‘’s Nachts om drie uur, alle toehoorders weg, behalve ik. Ik dacht, als ik nu wegga, is dit agendapunt naar de Filistijnen. Dus bleef ik op de publieke tribune zitten, en aan het einde van de vergadering zei burgemeester Jaap Pop: “Dames en heren, we zijn klaar, verder schuiven we alles door naar de volgende vergadering. Behalve één punt. U ziet hier Lieuwe Zoodsma zitten voor de Janskerk en het nieuwe depot. Ik vind het onze plicht om dit in behandeling te nemen.” Om half vier kwam het in stemming, en om vijf over half vier reed ik fluitend op de fiets naar huis… Euforisch! Toen konden we gaan bouwen.’

Bij de verbouwing van de Janskerk liet de archiefdirecteur zich bijstaan door deskundigen uit een gemeentelijke pool van interim-krachten. ‘Ik weet van mezelf dat ik bepaalde dingen wel kan, maar bepaalde dingen niet. Met bouwprocessen had ik geen ervaring. Daarom heb ik mensen ingeschakeld waarop ik kon vertrouwen, diehards die eerder met het bijltje hadden gehakt. Bouwprocessen zijn ‘hard’. Projectontwikkelaars en aannemers willen al gauw op de uitvoering beknibbelen als de kosten tegenvallen. En wij mensen uit de archief- en cultuurwereld zijn soft, wat niet de meest geschikte eigenschap is om een bouwproces mee in te gaan.’


Lieuwe Zoodsma in 1998.

Trots

In die tijd is overwogen om alle functies te combineren aan de Kleine Houtweg. ‘Maar het monumentale voorgebouw was niet te gebruiken door ons.’ Zodoende bleef het NHA verdeeld over twee locaties. ‘Wij pleitten ervoor om het kerkgebouw niet af te stoten, maar hier juist het nieuwe publiekscentrum van het NHA te huisvesten. Aan de Kleine Houtweg konden de backofficefuncties komen, de restauratieafdeling, beeld en geluid en archiefbewerking. De Janskerk zou dan ons visitekaartje worden. Als je dus vraagt waar ik mijn stempel op heb kunnen drukken, dan is dit het: de Janskerk promoten als publiekscentrum. Andere archiefinstellingen zijn er jaloers op. De Janskerk heeft bovendien een belangrijke culturele functie door de lezingen, concerten en tentoonstellingen in de Commandeurszaal. We hebben niet voor niets de grootste vriendenstichting van alle archiefinstellingen in Nederland.’

Over de vraag waar hij het meest tevreden over is, hoeft hij dan ook niet lang na te denken. ‘Iedere keer als ik de Janskerk binnenkom voel ik me weer trots. Een toonbeeld van herbestemming van een kerk. De ruimtelijke werking van het middenschip is volledig behouden gebleven.’ Tegelijk, erkent hij, heeft de verdeling van het NHA over twee locaties zijn nadelen. ‘Je krijgt al snel: wij zijn de B-locatie. Daarom hebben wij er vanaf het begin naar gestreefd dat er zoveel mogelijk over een weer werd gewerkt door onze mensen. Beide locaties, de Kleine Houtweg en de Jansstraat, zijn even belangrijk.’

Nieuw depotgebouw

Zoodsma doet uit de doeken dat hij aan de wieg staat van een nieuw bouwproject, dat de komende jaren zijn beslag moet krijgen. ‘In de depots bij de Janskerk is zestien strekkende kilometer aan archiefruimte beschikbaar, aan de Kleine Houtweg 44 kilometer. Daarvan is nu ongeveer 57 kilometer benut, we hebben nog zo’n drie kilometer te gaan. Daarom hebben we twee jaar geleden berekend dat er tot 2035 nog tussen de 25 en 30 kilometer nodig is. Dit betekent: een nieuw depotgebouw.’

‘Gaan we dat alleen doen? Of samen met andere culturele instellingen? Het tweede. En ook de gemeente Velsen overweegt om mee te doen. Die hebben wel een museale collectie, maar geen gebouw om het goed te conserveren. We hebben intussen Toornend en Partners gevraagd om een eerste inhoudsverkenning uit te voeren: hoeveel ruimte is er nodig, aan welk budget moeten we denken. De volgende stap is voor mijn opvolger.’

Waar moet dat nieuwe depot komen? ‘Eerst hadden we Oostpoort bij station Haarlem-Spaarnwoude in het vizier. Een gedeeltelijk open depot, waar bezoekers makkelijk kunnen komen, zoals het spraakmakende nieuwe depot van Boijmans Van Beuningen in Rotterdam. Er is zoveel wat het publiek nooit te zien krijgt. Als je eens weet wat er bij ons allemaal ligt … of bij het Frans Hals. Maar de gemeente wil dat gebied bestemmen voor woningbouw. Nu zijn we uitgekomen op een kavel in het gebied van Nieuwe Energie in de Waarderpolder. Collectiegebouw Haarlem, heet het voorlopig.’


Heropening van de locatie Kleine Houtweg in 2012, Lieuwe Zoodsma met Bernt Schneiders (links) en commissaris van de Koning Johan Remkes, 2012.

Eigen invulling

Stenen of mensen, wat ligt hem beter? ‘Mensen,’ antwoordt hij zonder aarzelen. ‘Als je het zo zwart-wit stelt. Ik vind het nu eenmaal leuk en interessant om met mensen om te gaan, met ze te praten, van ze te leren. De stenen komen pas bij elkaar door de mensen.’

Deze vaardigheden kwamen uiteraard goed van pas binnen de NHA-organisatie zelf, die vanaf 2005 een professionaliseringslag doormaakte. ‘In een keer groeide het personeelsbestand van 24 fte naar ongeveer veertig. Er kwamen afdelingen Beheer (toegankelijkheid, inventarisatie, conservering, restauratie e.d.), Publiek (studiezalen, digitalisering, educatie) en Bedrijfsvoering (onder andere publiciteit). Op dit moment zijn er ongeveer zestig mensen werkzaam bij ons.’

Voor het publiek zeer opvallend is natuurlijk de voortvarende aanpak van de digitalisering, de online toegankelijkheid en de introductie van het e-depot. ‘Digitalisering hangt aan de mensen,’ verklaart hij stellig. ‘Wij hebben altijd de uitdaging gezocht en wilden vooroplopen, niet eerst afwachten en kijken welke kinderziektes er eventueel optraden bij andere archiefinstellingen.’

Lastig om te vertrekken bij het NHA? Nee, dat vindt hij niet. ‘Het is tijd voor nieuw elan. Ik heb het op mijn manier gedaan, maar dat is niet de enige manier. Wat wel kenmerkend is voor deze stad, is dat iedere archivaris er lang gezeten heeft. Dat zegt iets over de stad en over de collectie. Ik heb er mijn eigen invulling aan gegeven.’

En de liefhebber van het platteland kan nu eindelijk ruim baan geven aan zijn fascinatie voor Schoten, de gemeente ten noorden van Haarlem die ooit in 1927 opgeslokt werd door de stad. ‘Ik heb als afscheidscadeau de gedigitaliseerde archieven van Schoten gevraagd. In 2027, wanneer het honderd jaar geleden is dat deze gemeente werd geannexeerd, kom ik met een boek, Honderd jaar ondergang van Schoten. Genoeg te doen dus!’

Interview: Wim de Wagt. Dit interview is verschenen in het magazine Uitgelicht nr.18 / juni 2022.