Menu

Het is geen schilderij of een ander kunstwerk, maar een notarieel document in de collectie waardoor Ann Demeester, directeur van het Frans Halsmuseum, gefascineerd raakte bij een rondgang door het NHA. Een stuk dat, zoals ze zegt, ‘behalve dat het een tijdsdocument is, ook universele menselijke karaktertrekken vertegenwoordigt.’

Aandachtig buigt ze zich over een fors, zeventiende-eeuws boekwerk dat opengeslagen voor haar op tafel ligt. Op de bladzijden zijn stukjes stof geplakt, kleurig en vol sierlijke patronen. Het zijn proefmonsters van Vlaamse zijdewerkers, waar een opmerkelijk historisch verhaal over te vertellen is dat Demeester verbindt met haar eigen roots. ‘Het bijzondere van deze textielsamples is in de eerste plaats dat ze een onaangetaste kwaliteit bezitten,’ zegt ze. ‘Het zijn ontzettend mooie voorbeelden van de textielnijverheid in Haarlem. Ze hebben een prachtige schittering en glans en vormen een unieke herinnering aan de bloeiende textielindustrie. Maar eigenlijk betreffen ze de registratie van een klacht.’

Ann Demeester buigt zich over 'haar' topstuk
Ann Demeester buigt zich over 'haar' topstuk

Broodroof

Dat zat zo. Tijdens de wederopbouw van Haarlem na het beleg door de Spanjaarden (1572), vestigden veel religieuze vluchtelingen uit de Zuidelijke Nederlanden zich in de stad. Onder deze migranten, ‘inwijkelingen’ zoals Demeester ze noemt, waren ook Vlaamse zijdewerkers. In vergelijking met hun Haarlemse collega’s waren zij in staat stoffen te produceren van een uitzonderlijk hoge kwaliteit, dankzij de toepassing van innovatieve technieken. Dat zorgde voor scheve gezichten bij de Haarlemse textielwerkers. Om te voorkomen dat de Haarlemmers hun werkwijze gingen kopiëren, verleende het stadsbestuur de nieuwkomers patenten. Het boek bevat een soort notarieel protocol met de verzegelde stofmonsters die bij de patenten van een aantal Vlaamse zijdeproducenten hoorden. Deze mannen worden met naam en leeftijd vermeld. Het protocol is gedateerd 1678.

Demeester denkt er het hare van. ‘De Haarlemse textielfabrikanten waren bang dat de Vlamingen hun werk afnamen. Maar de Vlamingen zeiden: “Wij nemen jullie geen werk af! Wij beheersen gewoon andere vaardigheden dan jullie. Het is geen broodroof.” De samples zijn staaltjes van hun kunnen. Het is bewijsvoering. Vermoedelijk meenden de Haarlemse textielwerkers dat de arbeidsmarkt werd bedreigd. De komst van “de ander” werd gezien als een mogelijke bedreiging van de eigen broodwinning. Zoals er nu angst is voor Poolse vrachtwagenchauffeurs, Indiase telemarketeers of Turkse fabrieksarbeiders. Het is een fenomeen dat vijfhonderd jaar geleden ook bestond en is vastgelegd in dit boek. Angst voor vreemdelingen is van alle tijden.’

Voorvaderen

Voor haar zit er ook een persoonlijk aspect aan, legt ze uit. ‘Zelf kom ik uit West-Vlaanderen. De Haarlemse bevolking rond 1600 bestond ten gevolge van de migratie uit Vlaanderen voor ongeveer de helft uit allochtonen. Velen van hen kwamen uit West-Vlaanderen, waar een levendige textielindustrie bestond. Eigenlijk zijn dat mijn voorvaderen! Ik ben geen Vlaamse nationalist, verre van, maar dit besef ontroert me wel.’

Ze ziet nog een andere parallel. Demeester: ‘Tegen West-Vlamingen wordt in België vaak aangekeken zoals in Nederland tegen Limburgers: als domme boeren. Maar er zijn onder de West-Vlamingen juist veel echte achievers, mensen die juist veel willen bereiken in het leven. Peter Vandermeersch bijvoorbeeld, de hoofdredacteur van NRC Handelsblad, komt uit West-Vlaanderen. Ik weet niet of er een verband is tussen de underdogpositie van West-Vlamingen en hun ambitie, maar het lijkt wel alsof mensen uit de regio waar ik vandaan kom een extra drang hebben om te bewijzen dat hun bezieling resultaten afwerpt.’ Werkt dit gevoel van culturele achterstelling bij haar misschien mee bij het verwezenlijken van haar ambities? ‘Mmm, indirect speelt het een soort rol. Omdat ik me teweer stel tegen de clichés, tegen stereotyperingen.’

Terug naar het boek met de stofmonsters. ‘Dat lees ik op verschillende niveaus. Je hebt de artistieke waarde en schoonheid van de textielsamples. Maar ook de positie van de vreemdeling in de toenmalige samenleving komt eruit naar voren. En dit roept bij mij allerlei vragen op. Wat betekende het als je als eenvoudige linnenbewerker uit Ruddervoorde in Haarlem terechtkwam? Hoe werd er überhaupt tegen de Vlamingen aangekeken? We weten dat er spotdichten op hen zijn gemaakt, die hun spraak op de hak namen. De Vlamingen vormden met elkaar een hechte, gesloten gemeenschap. Ze trouwden onder elkaar, hadden geen toegang tot de politieke macht. Voor mij was de overgang van België naar Nederland niet zo groot, hoewel ik wel grote cultuurverschillen heb ervaren. Maar hoe was dat voor inwijkelingen in de zestiende en zeventiende eeuw?’

‘De mentaliteit van de Haarlemse bevolking moet voor hen heel anders zijn geweest dan ze gewend waren. Europa bestond nog niet uit de natiestaten zoals wij die kennen, culturele invloedsferen waren veel belangrijker. In Europa bestond toen net een scheidslijn tussen het katholieke, bohemienachtige zuiden en het protestante, zakelijke noorden. Vlaanderen was meer gerelateerd aan de mediterrane invloedsfeer. Die vormen van oppositie, van het elkaar vreemd vinden, moet ook doorgewerkt hebben in de verhouding tussen de Zuidelijke en Noordelijke Nederlanden.’

Persoonlijke ontboezemingen

Ann Demeester is zeer geïnteresseerd in transhistorische verbanden. In het Frans Halsmuseum combineert zij graag kunstwerken uit totaal verschillende perioden met elkaar, om op die manier de toeschouwer anders naar de werken te laten kijken en nieuwe ideeën bij hen op te roepen.

‘Om erachter te komen hoe het er toen aan toe ging, zou ik heel graag getransporteerd worden naar het Haarlem van de zeventiende eeuw! Frans Hals was een Vlaming van geboorte. Hij was te jong uit Vlaanderen vertrokken om zich zijn moederland nog te kunnen herinneren, maar moet wel altijd hebben beseft dat hij daar vandaan kwam. Hij was Vlaming en katholiek. Hij had wat we nu noemen een meervoudige identiteit. Desondanks had hij veel, belangrijke opdrachtgevers. Maar hoe zagen die opdrachtgevers hem? Hoe keek zijn omgeving tegen hem aan? We weten het niet. Hij heeft geen dagboeken, brieven of andere persoonlijke ontboezemingen nagelaten. Net zo min weten we precies hoe die verschillende gemeenschappen in Haarlem met elkaar omgingen.’

Voor Demeester is dit verleden van betekenis voor de huidige tijd. ‘Rond 1600 moet de Haarlemse bevolking voor ongeveer de helft uit migranten hebben bestaan. Maar wie is zich hier tegenwoordig nog van bewust? Ook in België weet men niet dat er zoveel Vlaamse elementen zitten in de Haarlemse geschiedenis. Men weet niet hoe gelaagd alles is. Het is een boeiend fenomeen, zoveel vluchtelingen die zich hier vestigden. Wanneer mensen zich dit zouden realiseren, zou het hen helpen om beter om te gaan met de complexiteit van de multiculturele samenleving.’

‘Wat is het mooi,’ besluit ze lachend, ‘dat een historisch document zo aan het denken kan zetten! Natuurlijk had ik ook een kunstwerk uit de collectie van het NHA kunnen kiezen, of een object. Voor mij is een archief in de eerste plaats een bewaarplaats van historische documenten, van geschriften. Een archief biedt feitelijkheid, maar kan tegelijkertijd onze verbeelding prikkelen en ons zelf de verhalen bij de collectiestukken laten bedenken.’

Tekst: Wim de Wagt / beeld: Kim Krijnen en Noord-Hollands Archief